Doodgewoon (1)
1 Oktober, 2009De redelijke mens past zich aan de wereld aan. De onredelijke mens volhardt in zijn pogingen de wereld aan hemzelf aan te passen. Derhalve is alle vooruitgang afhankelijk van de onredelijke mens. - George Bernard Shaw
Hij zette zijn fiets tegen het ijzeren hek. Bij gebrek aan beter, drukte hij moeizaam het beugelslot naar beneden. In het licht van de straatlantaarns regende het. Hij ritste zijn Adidas-vest dicht tot zijn kin en begon te lopen. Aan weerszijden van de straat bevonden zich winkels. Kledingwinkels die hun paspoppen lieten prostitueren achter het beslagen glas, telecomwinkels met dubieuze aanbiedingen in de etalage, een broodjeszaak zonder broodjes, nog meer kledingwinkels. Het was koud op straat. 22:43 zei zijn Samsung Touchwiz. “Veel te vroeg,” mompelde hij. Hoewel de plek er niet toe uitnodigde, vertraagde hij zijn pas. De straat was eigenlijk één lange flauwe bocht naar links die af en toe werd onderbroken door een donker steegje. Steegjes die ’s nachts vooral werden gebruikt als lokaal toilet. Een half uur geleden had hij haar nog gesproken. “Nee, niet gesproken. Geschreven,” corrigeerde hij zichzelf. Het was wonderbaarlijk dat zelfs hij sprak van ’spreken’ terwijl er louter tekst was verwisseld via een computer. Er doemde een smalle zijstraat op die, in tegenstelling tot de steegjes, was verlicht. De straat was weliswaar smaller en donkerder dan die waar hij nu in liep, de kans dat je er een voorbijganger zou treffen, was nog steeds aanwezig. Zijn telefoon trilde. Hij pakte het toestel en bekeek het display: 22:46. Daaronder stond dat er 1 nieuw bericht was. Hij las het sms’je: “Het rijmt niet eens! Sorry hoor, maar ik snap het gewoon niet. xje.” De straat die hij nu insloeg was lang en recht, aan het einde stonden bomen. “Natuurlijk rijmt het niet. Sinterklaasgedichten rijmen, dit is kunst,” dacht hij. Ze begreep het niet, en dat was zonde. Het hele gedicht was één grote metafoor, een aaneenschakeling van verwijzingen naar háár, een lofdicht, een serenade op papier. “Op het beeldscherm,” corrigeerde hij zichzelf opnieuw. Maar ze begreep het weer eens niet. Juist op dit moment begreep ze het niet. Hij tuurde door de etalages, maar deze waren minder interessant. Geen paspoppen, maar nog meer telecomwinkels. Geen broodjeszaak, maar een gesloten snackbar. En opvallend veel lege panden. Hij vroeg zich af wat hij terug moest sturen. Iets moois waardoor ze nog meer in de war zou raken? Een duidelijke, maar klinische uitleg? Alleen ik vind je leuk? Zijn telefoon begon heftig te vibreren. Er verscheen een nummer op het display, geen naam. Hij kende het nummer, hij wist wat het betekende. “Met Jasper,” zei hij met de telefoon tegen z’n oor. De persoon die zojuist had gebeld, hield het kort. “Ik ben er.”
Veel Nederlanders hebben de gewoonte om in de kerstvakantie de meest ver-schrikkelijke skipakken aan te trekken, een grote skibril en muts op hun hoofd te zetten en onderling schreeuwend de Duitse of Oostenrijkse skipistes te ruïneren. De enige wintersport die ik vroeger beoefende was het sleeën. En niet eens op een bijster hoog niveau. Überhaubt niet op niveau. Maar als je gaat wintersporten met school, kun je moeilijk op een slee de week vullen.